Werk aan de winkel: de Mosos MZG-registratie
Werk aan de winkel: de Mosos MZG-registratie
Met gemiddeld 2150 bevallingen en 2230 geboorten per jaar tussen 2003 en 2006 is het bevallingskwartier van UZ Leuven een plek waar het zelden rustig is. Zo’n 25% van de bevallingen verloopt via een keizersnede. Ook de complexe gevallen komen naar UZ Leuven. Daarom zoekt men op het bevallingskwartier naar manieren om de werkprocessen efficiënter te laten verlopen. Door de automatisering van de registratie van de Minimale Ziekenhuis Gegevens (MZG) bijvoorbeeld.

UZ Leuven werkt sinds enkele jaren met diverse Mosos-modules. Bernadette Bijnens is hoofdvroedvrouw van het bevallingskwartier en de ambulante zorg Verloskunde: ‘Wij maken hier al gebruik van Mosos <CTG> alsook van Mosos <P> SPE voor de partusverslaglegging en de SPEregistratie. Op dit moment test professor dr. Myriam Hanssens Mosos <O> op de raadpleging. Daarnaast hebben we drie STAN®-toestellen. Deze zijn sinds december 2006 met Mosos geïntegreerd, zodat we de ST events ook in Mosos kunnen bekijken. In oktober 2006 hebben we besloten dat de registratie van de MZG ook onderdeel moest uitmaken van het werken in Mosos. Tot onze verrassing bevatte de upgrade van Mosos die we in december 2006 ontvingen reeds een eerste versie van de MZG-registratiemodule! We zijn dus heel tevreden over de manier waarop BMA met onze vragen en wensen omgaat.’



Wat registreer je wel en wat niet?
Het werk op een bevallingskwartier bestaat niet alleen uit het uitzwaaien van blije moeders en vaders. Heel wat tijd gaat naar de administratieve afhandeling van de bevallingen en geboorten. En dan is er nog de registratie van de MZG. Bijnens: ‘Volgens de Belgische wetgeving zijn we verplicht om vier keer per jaar 14 dagen lang de MZG te registreren. Het bevallingskwartier is hierin echter een nogal lastige parameter. We doen bijvoorbeeld foetale chirurgie, de keizersnedes vinden plaats op het bevallingskwartier in plaats van op het operatiekwartier en ambulante vrouwen hoeven we niet te registreren, maar bij een opname weer wel. We hebben daarom als oplossing gekozen voor een volledig medisch en vroedkundig dossier. Voor BMA betekende dit dat ze de MZG-module in Mosos aan onze wensen moesten aanpassen. Omdat UZ Leuven voor de registratie van de MZG in Mosos het enige pilootziekenhuis in België is lopen we hier onvermijdelijk tegen kinderziektes in het systeem aan en die halen we er in de dagelijkse praktijk samen met BMA uit. Zelf gebruiken we bijvoorbeeld geen notitie bloedtransfusie, maar andere ziekenhuizen zouden dat wel kunnen doen. We vragen BMA dan die notitie ten behoeve van die ziekenhuizen alvast aan te maken. Verder moeten we nadenken over welke gegevens we waar willen onderbrengen, bij de antepartale, de perpartale of de postpartale gegevens. Wij willen dat onderscheid blijven maken en dat heeft weer gevolgen voor de indeling van de MZG-registratiemodule. In juni hebben alle vroedvrouwen de MZG-module twee weken lang beproefd en we wachten nu op de testgegevens. Eén van de nu reeds bekende commentaren is dat veel vroedvrouwen vinden dat ze nog te veel moeten aanklikken op het scherm. Daarom kijken we nu hoe we de gegevens kunnen clusteren en met die inzichten kan BMA weer werken aan een nieuwe versie. Het is net als bij de ontwikkeling van de Mosos-module voor de aanlevering van SPE-gegevens, ook een typisch Belgische toevoeging. Veel gegevens konden in het begin niet gestructureerd worden weergegeven en kwamen in de vrije tekst terecht. Maar die is niet te gebruiken voor de statistiek. Door te werken met gestructureerde tabbladen in de Mosos <P> SPE-module is er al veel verbeterd (en we blijven eraan werken). Op termijn krijgen we dan een systeem waarmee we alle gegevens op één plaats kunnen verzamelen, ingeven en terugvinden. Ook heel belangrijk is dat door de gebruikte algoritmen je de MZG niet nadien meer hoeft te tellen en registreren.’

Bernadette Bijnens
Bernadette Bijnens

Tijd voor een volgende stap
Een universitair ziekenhuis dat met een Mosos-systeem werkt krijgt ook regelmatig bezoek van vertegenwoordigers van andere ziekenhuizen die zelf willen zien hoe dat systeem functioneert. Samen met professor dr. Hanssens – die de theorie voor haar rekening neemt – verzorgt Bernadette Bijnens een korte introductie op het werken met Mosos in de dagelijkse verloskundige praktijk. Ook dat kost tijd, die elders moet worden teruggewonnen. En dat kan volgens Bijnens ook: ‘Waar we nu echt op zitten te wachten is de integratie van ons Mosossysteem met het algemene ziekenhuissysteem KWS (Klinisch WerkStation). Nu moeten we soms nog dubbel werk doen. Gegevens zoals het geboortegewicht, de lengte en de schedelomtrek zouden eigenlijk in de twee systemen apart moeten worden ingevoerd. De vroedvrouwen hebben ervoor gekozen om die gegevens alleen in Mosos in te voeren. Zo lang er geen integratie is met het KWS kan het dus voorkomen dat andere artsen die geen toegang hebben tot Mosos op die gegevens moeten wachten. Het is dus belangrijk dat die integratie er snel komt. Ik heb daarbij overigens de indruk dat UZ Leuven hierin nog de nodige stappen kan zetten.’